Ontstaan

175 jaar Vorselaar

1. Ontstaan

Donche

Pater Lodewijk Vincent Donche

In de Sint-Carolus Borromeuskerk in Antwerpen werkte pater Lodewijk Vincent Donche, jezuïet in het jaar 1818 als vastenpredikant. Zijn inzet voor de medemens en zijn inspanningen om het geloof te verkondigen maakten er grote indruk op de douairière Regina della Faille de Leverghem, gravin Van de Werve de Vorselaar.

Sedert haar man, Karel Van de Werve, burgemeester te Antwerpen overleed, had de gravin zich als kasteelvrouw te Vorselaar gevestigd op hun landgoed.
Hier zag ze hoe de jeugd in de Kempen nauwelijks opvoedingskansen kreeg. Vele oogsten mislukten. Economisch was het crisis. Heel wat gezinnen en kinderen leefden in grote armoede.

Op 21 december 1826 schrijft gravin Van de Werve aan Priester Donche: ‘Gij zijt het die mij gevoelig hebt gemaakt voor de nood van de armen.’ De gravin nam het besluit om een leerwerkschool op te richten. Bij deze onderneming riep zij de steun in van pater Donche.

Het was haar bedoeling om de leerschool toe te vertrouwen aan een gemeenschap van vrouwelijke religieuzen. Onder het Hollandse bewind kon dit echter niet officieel gebeuren. Willem I had het exclusieve recht vanuit de grondwet om het onderwijs te organiseren.

Onofficieel zette de gravin haar plannen door. In 1819 kocht ze 2 huizen met grond, richtte de Sociëteit a pia op en voorzag er alle gereedschap voor spinnen en haspelen. Ondertussen zocht Lodewijk Vincent Donche vrouwelijke medestanders in het spinners- en weversstadje Tilburg.

Kasteel van Vorselaar

Kasteel van Vorselaar

Op 28 juni 1820 kwamen de eerste 2 juffrouwen op het kasteel van Vorselaar aan: de 32-jarige Adriana Touwenberger en de 25-jarige Petronella Backers. Op 6 juli van dat jaar opende de leerwerkschool haar deuren. Mevrouw de gravin zorgdevoor de aanvoer van wol en vlas, verkocht de afgewerkte producten, betaalde de kinderen uit en stond in voor het onderhoud van de meesteressen.

In aanvang was er enkel sprake van een vereniging van onderwijzeressen, loontrekkende leerkrachten zonder religieuze kleding en professie. In kleine huizen, die door de gravin werden aangekocht, vonden de eerste scholen een onderkomen. Door de gestage groei van het aantal meesteressen, breidde Donche een Stichting uit met nieuwe scholen: Lille in 1827, Kampenhout in 1829, Deurne in 1831 en Kontich in 1832.

Tot aan haar dood in 1827 bleef de gravin het officiële hoofd van de school. Dankzij haar steun kon de stichter Donche zich in stilte inzetten voor de voorbereiding van de kerkwettelijke oprichting van zijn congregatie der Christelijke Scholen.

Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 keerde de vrijheid van onderwijs en vereniging terug. Vanaf 1831 werkt Donche de kloosterregel van de congregatie uit. Op 4 april 1834 keurde aartsbisschop Sterckx de kloosterregel goed en op 13 mei van datzelfde jaar spraken 18 meesteressen hun kloostergelofte uit in de parochiekerk te Vorselaar. Pater Donche werd aangesteld tot algemeen overste van de nieuwe congregatie.

In 1843 oordeelde Donche dat de congregatie sterk genoeg was om in trouw haar eigen weg te gaan en hij trad – ondertussen meer dan 70 jaar oud – opnieuw in bij de Jezuïeten te Drongen.

De leiding van de congregatie vertrouwde hij toe aan Eerwaarde Moeder Victoria. De 2 daarop volgende algemeen oversten werden ook aanvaard en gevormd door de stichter zelf.

Vanaf toen begon de congregatie haar bestaan onder eigen verantwoordelijkheid en met eigen middelen. De eerste 150 jaar van haar geschiedenis breidde de congregatie van de Zusters der Christelijke Scholen zich bijna uitsluitend uit in functie van het onderwijs. Ze bereikte een hoogtepunt in 1959 met niet minder dan 148 kloosters en 1556 zusters ten dienste van de kinderen.

2. De nieuwe leefregel 1973

In de nieuwe leefregel van de congregatie, opgesteld in 1973, maakten wetten en voorschriften plaats voor inspiratie. De evolutie in het Gods- en mensbeeld verbond de congregatie nog sterker met het leven van gewone mensen.

Collegialiteit en subsidiariteit werden de belangrijkste beleidsprincipes. Het huidige algemeen bestuur van de congregatie bestaat uit een raad van 11 leden. De algemene overste, verkozen voor een 4-jarig mandaat, wordt bij de uitvoering van haar taak bijgestaan door deze raad.

De congregatie wil haar missie levendig houden, verdiepen en doorgeven naar de toekomst.

Ad majorem dei gloriam

Ad majorem dei gloriam

De essentie van de congregatie is het religieuze leven. Stichter Donche schreef boven zijn eerste kloosterregel de Ignatiaanse leuze ‘Ad maiorem gloriam’ , d.w.z. ‘Tot meerdere eer en glorie van God’.
Als middelen om dit doel te bereiken zag hij de de volledige toewijding van de meesteressen en het apostolaat bij het kind.
Pater Donche stelde de congregatie, haar leden en haar missie, onder de bescherming van de moeder Maria, de Heilige Jozef Calasanz en alle engelbewaarders.
Donche gaf de liefde, zoals Sint-Paulus ze beschrijft, als kenmerkende eigenschap aan zijn congregatie. Dit loflied op de liefde is nog steeds te zien in de leefkamers van vele gemeenschappen.

Omwille van de daling van het aantal roepingen en de vergrijzing van de zusters werden vanaf de jaren 1990 leken ingeschakeld in de beleidsfuncties van de instellingen.

3. De zorg voor bejaarde zusters

Momenteel is de zorg voor de bejaarde medezusters één van de belangrijkste prioriteiten binnen de congregatie. Het modern uitgeruste ziekenhuis Mariënhove te Westmalle staat ter beschikking van zieke zusters die speciale opvang en medische begeleiding behoeven.

4. Ontwikkelingen in onderwijs

Klooster

Klooster

Het onderwijs stond steeds centraal in de congregatie. De eerste 50 jaar verliepen stil en onopvallend met slechts 9 scholen bevolkt door 89 zusters. Daarna verdubbelde het aantal scholen op 5 jaar tijd. Deze enorme groei is eigenaardig genoeg het gevolg van de zogenaamde ongelukswet van 1879 waardoor de scholen onttrokken werden aan het kerkelijk gezag. Zonder enige geldelijke steun van de staat richtten geestelijken zelf scholen op met giften van katholieken. Ze zochten onderwijzeressen bij de religieuzen. De aanvragen voor vrije scholen stroomden binnen.
De wet van 1884 bepaalde dat van de helft van het onderwijzend personeel een diploma werd geëist. Een aantal zusters gingen naar normaalscholen van andere congregaties om er het vereiste diploma te behalen. De stichting van een eigen normaalschool kwam er in het jaar 1902 dankzij de voorbereidingen van moeder Angela. Deze normaalschool bood de mogelijkheid om de eenheid in de Vorselaarse scholen te bevorderen. Een degelijke begeleiding gebeurde via opvoedkundige vergaderingen, studiedagen, een eigen tijdschrift en vakkundige pedagogische uitgaven.

De werkschool voor arme kinderen groeide uit tot één van de sterkste pedagogische en organisatorische projecten in Vlaanderen.
Met de goedkeuring van de wet Poullet op 19 mei 1914 werd de algemene schoolplicht van 12 op 14 jaar gebracht. Alle Vorselaarse scholen richtten prompt 4de graadsklassen in.
Door de Tweede Wereldoorlog ervoer men de nood aan het voortgezet onderwijs voor het volkskind. De leerwerkscholen veranderden in technische en beroepsscholen.

Vanaf het begin was een eigentijdse catechese een bijzondere zorg van de congregatie en ook nu nog steeds opnieuw een opdracht voor alle scholen van Vorselaar. Dankzij de godsdienstdidactiek of de methode van Vorselaar, werd Vorselaar een begrip tot ver over onze landgrenzen. Het uitgangspunt van de Vorselaarse catechese was de opvoedende waarde van de sacramenten en de eucharistie in het bijzonder.
Tientallen dochterstichtingen ontstonden, uitgezaaid over de provincies Antwerpen en Brabant.

Sinds 1970 werd de snelle evolutie in het onderwijsbeleid op de voet gevolgd. In de jaren 80 trad een versnelde inschakeling van leken in het beleid op. De begeleiding van directies en personeel blijven een prioriteit.
De ondersteuning aan scholen groeit tot op vandaag. Regelmatige samenkomsten van directies, beginnende medewerkers, studiedagen, bezoeken aan de scholen, pedagogische en administratieve ondersteuning getuigen hiervan.

5. Bijzondere jeugdzorg

Het charisma van de stichter kreeg na Vaticaan II een ruimere invulling. Er kwam meer openheid op kerk en wereld. De zusters ontdekten nieuwe noden. Zusters werden steeds meer gevraagd in de sociale en pastorale sector.
In het ‘Home Drakenhof’ gelegen te Deurne en ‘Monte Rosa’ te Kessel-Lo is er plaats voor minder kansrijke kinderen tussen 3 en 18 jaar.

In het spoor van vader Donche, die de arme kinderen bijeenbracht om hen een christelijke opvoeding te geven, wil de bijzondere jeugdzorg van de Zusters der Christelijke Scholen deze kinderen de hand reiken en hen net zolang begeleiden tot ze hun eigen weg kunnen gaan.
Deze kinderen komen hier terecht na verwijzing door de Jeugdrechtbank of het Comité van Bijzondere Jeugdzorg omwille van problematische thuissituaties.

De zusters richtten ook bezinningshuizen op: ‘Ter Dennen’ in Westmalle, ‘Maria ter Schelde’ in Hoboken en ‘ten Bosse’ in Meise.

Waar het nog kan, ondersteunen zusters de plaatselijke kerk.
In nauwe samenwerking met de parochiepriesters en samen met leken, nemen zij hun verantwoordelijkheid op van gelovige gemeenschappen. Zij kregen hiertoe een zending vanuit de congregatie. Zij stellen zich vrijwillig en onbaatzuchtig ten dienste van de kerkgemeenschap. Zij zijn een levende getuigenis van evangelische inzet en bewogenheid.

Naast de activiteiten in de parochiale en sociale sector, is de zorg voor de eigen gemeenschap van enorm belang voor het bevorderen van een fijne sfeer in de communiteiten.

6. Missies

6.1. Congo

De activiteiten van de congregatie hebben zich niet beperkt tot ons land alleen.
Van 1972 tot 1992 zijn de zusters werkzaam geweest in Congo. Hun missie bestond erin de uitbouw van een inlandse landelijke normaalschool te helpen opstarten in Bokote.
De overdracht van kennis en wetenschap werd een positieve hefboom bij het verbeteren van de levenssituatie van ontelbare mensen op de lange termijn.
In het mooie Congo, met zijn hartelijke gastvrijheid, is de rijke pedagogische traditie van Vorselaar een waardevolle inspiratiebron voor vele opeenvolgende generaties.

Ook op het sociale en medische vlak werd, waar mogelijk, hulp geboden.

6.2. Venezuela

De missiegeest bezielde deze zusters zodanig dat, na het beëindigen van de missie in Congo, de 2 jongste zusters zich aanboden om in Venezuela verder missiewerk te doen.

Venezuela, een land meer dan 30 maal zo groot als België, kent naast rijkdom in grondstoffen heel wat armoede. Het is in maart 1968 dat moeder Alphonse de eerste zes zusters op missie zond. In Caracas, aan de rand van de hoofdstad, wonen de zusters in één van de armste barrio’s. Immers het opzet is: Jezus navolgen in zijn voorkeurliefde voor de armen.

Dit eerste huis bleef het centrale huis waar de algemeen verantwoordelijke voor Latijns-Amerika verblijft. Men werkt er aan een basisgemeenschap, catechese, jeugdvorming en een kleutertuin. Heel wat lokale mensen werken nauw samen met de zusters.

Ondanks de vele toeristen blijft de eigen bevolking arm. Gratuit liefhebben en zorgend aanwezig zijn tekent het leven van de zusters. De zorg voor zieken en gehandicapten en voor ondervoede kinderen is er prioriteit. De zusters bieden vormingskansen aan jeugdleiders, catechisten en volwassenen. Zo brengen zij de Blijde Boodschap aan de armen.

Ook op het sociale en medische vlak werd, waar mogelijk hulp geboden. Ook in de Dominicaanse republiek zijn er 2 gemeenschappen van de zusters van Vorselaar